Er is een vijver diep in ’t hoge woud
waar op den avondwind loomzwevend komen
nauwzichtb’re wezens die van dingen dromen
nooit door een dolend mensenoog aanschouwd.
Ik ga daar ’s avonds als na ’t zonnedalen
schaduwen naad’ren met onhoorb’re schreden,
en als de stemmen van een vaag verleden
zacht mijmeren van vreemde droom verhalen.
Dan sta ik lang in deinende gedachten,
die mij omzweven als een geestenkring,
voelend veel verre dingen die mij wachten.
Een zucht zweeft uit de bomen, en heel even
rimpelt het water, als in een mijmering
aan een verloren nooit vergeten leven.
A. Roland Holst