Enigma-fantasie opus 136 (2005-2006)
Voor een opname van dit werk *
Bronsheim
Muziekuitgeverij,
superieure- / concertafdeling
Geschatte tijdsduur: 14 ? 15 minuten.
Voor
het bestellen van de bladmuziek, zie deze linken:
https://bronsheimmusic.nl/enigma-fantasie-fanfare
of:
https://ammusic.nl/nl/concert-concours/2369-enigma-fantasie.html?search_query=marc+van+delft&results=46
Gecomponeerd voor de Jouster Fanfare en haar dirigent Bernhard van der Wal voor het jubileum van zijn 40-jarig dirigentschap.
De
première vond plaats tijdens een concert ter ere van het 40-jarig jubileum
van de dirigent van de Jouster Fanfare, op:
27 oktober, 2007
om 20.00 uur in het Kerkelijk centrum "De
Oerdracht"
E. A. Borgerstraat 48, Joure.
Voor een
beschrijving en een fotoverslag van dit gebeuren
KLIK HIER
* 8 maart 2008 vond er een 2e, nog betere uitvoering plaats tijdens het bondsconcours te Drachten, zonder de fouten van de 1e uitvoering (zoals de missers in het begin, de valse bugels in het 2e thema, en met het complete slagwerk zonder verkeerde bekkenslagen etc.) naar de beschrijving van de dirigent. Helaas heeft de dirigent het nagelaten om de componist in kennis te stellen van deze uitvoering, ondanks herhaaldelijk verzoek van de componist om informatie daarover. Zodoende heeft hij er ook geen opname van kunnen maken, -er is überhaupt geen opname gemaakt van deze betere uitvoering-, zodat voor deze website helaas alleen maar de minder goede 1e uitvoering ter beschikking gesteld kan worden.
Toelichtingen:
De oorspronkelijk
inspiratie voor dit werk is wellicht te traceren in het voorjaar van 2005, op
het moment dat de opstijgende jonge levenskrachten van de lente in de Ram-tijd
voor een enorme explosie van vitaliteit zorgen.
De inspiratiebron voor dit werk is hetgeen voor de lezer een ‘enigma’ kan
blijven [een raadsel], en toch is het woord ‘Enigma’ de exacte omschrijving om
‘de muze’ te omschrijven, die in de componist die ongekende vitale krachten
wakker riep, die leidde tot een werk waarin zowel onuitblusbare levenskracht als
een nooit aflatend, laaiend vuur en onverzettelijke, strijdbare, heroïsche
wilskracht werden verenigd.
Een werk met een dergelijke eenmalige vitale kracht is in het oeuvre van de
componist ook een zeldzaamheid: 553 maten [128 kladpartituurbladzijden] trekken
de aan luisteraar voorbij in een luttele 14,5 minuut als een bijna voortdurende
orgie van snelle en virtuoze muziek…
Als dat bij de grote
uitvoering op het Jubileum geen feest wordt weet ik het niet meer!
In zekere zin is dit werk een soort voortzetting van de heroïsche en krachtige
stijl van het Intrada uit het Springsymphoniette, dat evenzeer in het begin van
de lente werd gecomponeerd [2 jaar eerder, in 2003] maar wat daar een korte en
krachtige intrada was.
Wat echter daar nog als kiemkrachtig over zou kunnen komen, werd hier uitgewerkt tot een enorm lang en onuitblusbaar hoofdthema van een groots werk, wat in vitale krachtsontplooiing ahw. de ‘overtreffende trap’ van het eerdere werk zou worden…
Het enorm vitale, virtuoze
[en lange] hoofdthema bevat maar liefst bijna 200 maten [meer dan 45
partituurbladzijden!] in een niet aflatende kracht en onuitblusbare martiale
energie…
In dit thema [waar de componist persoonlijk zeer over te spreken is], drukt hij
het meest zijn eigen persoonlijke innerlijke kracht uit, samenhangend met zijn
sterrenbeeld Ram, en de onstuimige en overweldigende gevoelens die een muze in
een man vermag wakker te roepen …
Het hoofdthema staat in een snelle 6/8-maat en bevat bijna voortdurend kwint-kwarten-akkoorden, waardoor een onsentimentele, zakelijke, meedogenloze stemming ontstaat, die de onstuitbare kracht van de Ram-energie uitdrukt.
Pan ontwaakt en trekt de natuur in….
De 6/8-beweging wordt af en
toe even afgewisseld door een strakker neventhema of liever gezegd: nevenmotief
in 4/4-maat, wat meestal volgt na een melodisch hoogtepunt / climax.
Op maat 207 begint een lyrisch 2e thema-gedeelte, wat voorduurt tot
maat 267.
Het 2e , lyrische gedeelte vertoont vooral een meer berustend, vredig
karakter, er zijn meerdere passages met bugelsoli en koraalachtige gedeelten,
maar ook een meer weemoedig motief passeert af en toe de revue.
Hierna volgt dan een soort
doorwerking-achtig gedeelte van het hoofdthema, een 2e snelle
gedeelte.
Na een ‘broedende’stilte voor de storm barst het ff-tutti los op maat 295.
Aangezien in het hoofdthema sterk de nadruk op het heroïsche scherp koper lag vinden we hier ook passages waarbij bugels en saxen iets meer van hun virtuoze trekjes kunnen ontplooien, door snelle loopjes door de brede akkoorden van het scherp koper te spelen…
Op maat 357 wordt de climax
van deze passage bereikt, waarna de anticlimax volgt.
Vanaf 364 doet het hoofdthema nog een laatste heroïsche poging om zich aan de
zwaarte te ontworstelen, maar vanaf maat 376 begint de definitieve ineenstorting
van dit 2e snelle gedeelte. [met snelle dalende loopjes in de bugels
en de saxen]
Op maat 400 lijkt het wel
of het hoofdthema nog een laatste stuiptrekking laat horen, vooraleer op maat
414 een 2e lyrisch gedeelte volgt.
Deze keer echter van een veel tragischer karakter…
Terwijl het eerste langzame gedeelte een meer berustend en vredig karakter had,
soms koraalachtig en soms zelfs meditatief, volgt er nu meer een klaagzang,
alsof de eerste poging om zich te ontworstelen aan de rust van het 2e
gedeelte en opnieuw op te gaan in een onuitblusbare stroom van vitaliteit is
mislukt, en de ziel zich beklaagt om deze eerste, krachteloze, mislukte
opstandingspoging…
In het hoofdthema gaat het immers om de onuitblusbare lentekrachten die een
jubelende opstanding uit de dood en de doodsheid van de winter uitdrukken!
Nu lijkt het wel of de muziek weer is teruggevallen in de gelaten treurnis van
de wintertijd, misschien ‘de staart van maart’ en ‘april doet wat hij wil’…?
Oorspronkelijk zou na maat 435 het snelle slotgedeelte komen, maar op aanvraag van de dirigent is er een passage toegevoegd waarbij met name de saxofoons zich nog van hun lyrische kant zouden kunnen laten zien.
Dit is dan natuurlijk een
ad libitum toevoeging, maar toch bleek het in de compositie nog wel goed te
werken [aangezien het 2e lyrische gedeelte toch al aan de korte kant
was] als de opbouw naar de laatste overweldigende slotapotheose nog even zou
worden uitgesteld…
Alsof men nog even langer kan uitrusten om zijn krachten te verzamelen voor de
laatste, machtige en definitieve opstanding en krachtsinspanning uit de
terneerdrukkende duisterniskrachten…
De toegevoegde lyrische
passage bestaat uit 56 maten muziek op een orgelpunt in de bas, de lange
liggende A, waar overheen zich een harmonisch fraaie, weemoedige lyrische
passage [in met name de saxen] ontspint, die ook weer omhoog voert naar een
melodisch hoogtepunt en dan afebt en verdwijnt in de diepte tot er alleen nog
een lage A in het contra-octaaf voor de bastuba overblijft…
De dirigent Bernhard van der Wal heeft tijdens de repetities voor de première
echter toch maar besloten dit gedeelte maar niet te spelen aangezien het beter
in de grote vorm werkt zonder deze extra passage.
Op dat duistere dieptepunt
van die lage A, -nog meer ineenstorten in de diepte kan bijna niet meer zou je
zeggen- , [er kan alleen nog maar een nieuwe beweging naar omhoog komen…] volgt
nu een passage, [vanaf maat 440], waarbij de bastuba’s een fugatisch passage
beginnen, gebaseerd op het hoofdthema, wat langzamerhand omhoog voert naar een
toename van instrumenten en een ontlading van de spanning.
De besbas begint het thema, gevolgd door de esbas, dan de tuba’s en trombones.
Met de inzet van de hoorns op 464 volgt een soort stretto, de trompetten komen erbij, de saxen, de bugels, het slagwerk tot dit op maat 473 in een tutti fff hoogtepunt uitmondt.
Hierop volgt het nevenmotief van het hoofdthema en op maat 477 vervolgt weer het 6/8-gedeelte met een soort stretto [2 maten], dit verdicht zich in maat 485 tot één maat, en zelfs tot een halve maat vanaf maat 493, wat weer uitmondt in de ffff-climax van maat 497.
Na zulke momenten volgt dan altijd het nevenmotief in de strakkere 4/4-maat [498], en na maat 500 volgt er weer een passage met brede akkoorden waarbij de saxen, bugels en ook tuba’s snelle loopjes spelen, tot in maat 519 voor het eerst het fff-D-groot-akkoord volgt, de apotheotische overwinningstoonsoort van het slot. [denk bv. aan het slot van de 9e symfonie van Beethoven!!…]
In D groot vinden we dan nog een laatste reprise van het hoofdthema van het begin [de trompettenpassage] .
Dit bereikt weer zijn hoogtepunt in maat 538 waarna het werk in een apotheose van onuitblusbare kracht en overmoed, en met een laatste samenvatting van het hoofdthema uitmondt in het triomfantelijke D-groot slot-akkoord [maat 553].
Samenvattend heeft deze compositie dus een ABABA-vorm.
Marc van Delft
Maart 2007
============