Le Poëm dolente opus 137 [2006]
voor groot Harmonie-orkest
Superieure afdeling [concert-afdeling]
Uitgeverij: Carpe Diem.
Voltooid: Zomer, 2006
Een youtube-filmpje waarin Marc van Delft op
zijn eigen piano thuis het begin van het werk 'Le Poëm dolente' voorspeelt
is te zien als men deze link aanklikt [of kopieer dit adres naar
internet-explorer...] :
A youtube-video is to be seen of
Marc van Delft, playing the beginning of his work 'Le Poëm dolente' at his
own home, is to be seen if you click this link [or maybe put this adres in
internet-explorer] :
https://www.youtube.com/watch?v=8wp8h-7uYIA
Helaas heeft youtube om duistere redenen deze video verwijderd...
Ik zal later proberen de film weer te uploaden....
In dit werk is getracht om zoals in 'Images' en 'Movements' een
diepzinnig, pretentieus en origineel werk te creëren....
Het karakter van dit werk is zeer dramatisch en weemoedig en ook
zuur, bitter en somber, -gezocht is naar originele harmonieën.
Het slot is echter extatisch en triomfantelijk,
gelijk een 'opstanding uit de dood'....
Evenals in 'Movements' vinden we passages voor klarinetsolo en harp, in het begin met name, maar hier nog verder uitgewerkt.
In this
work, the composer had tried to compose, like in ‘Images’ and ‘Movements’ a
profound, original and pretentious work… The character of the work is very
dramatic and sad, and also bitter. The composer tried to find original
harmonies. The end is very ecstatic and triumphal, like a resurrection (like
in ‘death and resurrection’…).
Like in ‘Movements’ we find a passage for clarinet solo and harp, mostly in
the beginning, but here this duet is developed further…
Hieronder een uitgebreide toelichting:
Marc van Delft:
‘Le Poëm dolente’ – een toelichting
Het werk ‘Le Poëm dolente’ opus 137 uit 2006 voor groot [semi-professioneel] Harmonie-orkest [met koor ad libitum] is geschreven in opdracht van het Fonds voor de Scheppende Toonkunst voor het orkest ‘Symphonic Impulse’ onder leiding van dirigent Harrie Vorselen, een semi-professioneel harmonie-orkest uit de provincie Zuid-Limburg.
Het is bedoeld als een werk met een diepzinnig, veelal lyrisch-intiem, weemoedig, en ook aangrijpend karakter…
De titel verwijst naar werken van Scriabin, zoals ‘Le Poëm de l’Extase’ of: ‘Le Poëm du feux’, omdat met name het slot harmonisch verwant is aan Scriabins soort van harmonieën, van die extatische akkoorden, zoals in ‘Le Poëm du feux’, of het slot van ‘Le Poëm de l’Extase’…
Het werk heet: ‘Le Poëm dolente’, dat betekendt: ‘het droevige gedicht’, omdat de stemming toch voornamelijk weemoedig en tragisch is, en ook zeer veel heel erg intieme, verstilde momenten kent voor alleen maar harp en klarinetsolo, zoals ook in het middenstuk van mijn werk:
‘Movements’, een werk dat voorjaar 2006 door het harmonie-orkest uit Bunol olv. Henry Adams met zeer veel succes schijnt te zijn uitgevoerd….
[Henry Adams zei letterlijk meerdere malen dat iedereen ‘laaiend enthousiast’ was, niet alleen het publiek, maar ook aanwezige andere dirigenten en componisten….]
Alleen is ‘Le Poëm Dolente’ minder woest en uitbundig als [de 2e helft van] ‘Movements’, wat oa. sterk door Strawinsky’s ‘Sacre’ is beïnvloed [in het 2e gedeelte].
‘Le Poëm dolente’ is een meer lyrisch werk, het begint heel lyrisch-intiem met veel weemoedige [en misschien wel vervreemdende] soli voor klarinetsolo met harp, die een soort van eenzaamheid ook uitdrukt, [de eenzame klarinet tegenover dat enorme orkest…].
Ook in het lyrische middendeel van ‘Movements’ vinden we zo’n lyrisch-intieme passage voor klarinet en harp, en aangezien dit een van de mooiste en meest intense passages uit dit werk is, besloot ik om in dit werk de mogelijkheden van dit soort diepzinnige en intieme muziek verder te exploreren….
Het werk begint met een intieme en diepzinnige solo voor klarinet met harp-akkoorden.
De akkoorden van maat 27 [blz. 6] en maat 31 [blz. 7] komen weer terug aan het eind en vormen een soort hoogtepunt van deze beginpassage, een cruciale passage dus, waar aan het eind weer naar terug wordt verwezen.
In deze passage komen andere instrumenten erbij en volgt een klein hoogtepunt.
Vrij dissonante klokklanken [maat 42, blz. 9] kondigen zich plotseling aan [deze komen later weer even terug in de tutti-passage, -blz. 35, mt. 143] waarna de beginpassage van harp en klarinetsolo weer terugkeert, mt 47, blz. 10.
Op maat 59 / blz. 13 volgt een passage voor het orkest, eerst het hout, dan het koper [mt 62] dat zich enige tijd verder ontwikkelt, op maat 70 een klein hoogtepunt heeft [blz. 15] , en weer afebt waarna voor de derde maal op mt. 78 / blz. 17 een passage volgt voor soli met harp, wat naar de beginpassage verwijst.
Op maat 90 / blz. 19 is het solo-gedeelte nu echt afgelopen en komt een ontwikkeling op gang in het orkest.
Op maat 98 / blz. 21 begint een nieuwe beweging [die men ook in mijn werk ‘Images’ vond] namelijk met veel klokachtige instrumenten, die zich ontwikkelt en weer afebt tot haar anticlimax in maat 110, blz. 24.
Na een generale pauze begint zich nu [maat 111-blz. 25] vanuit de stilte een beweging op te bouwen die zal uitmonden in het ff-tutti, wat verder voortborduurt op het gepunteerde ritme van de klokkenpassage.
Heel langzaam en aftastend komt [eigenlijk al vanaf het begin] de beweging op gang tot dit na een langzaam en organisch opgebouwd crescendo [in maat 130, blz. 31] uitmondt in een orkestrale dramatische climax, die een soort van muzikale noodkreet / woedende wanhoop uitdrukt [veel wrange mineurdrieklank-combinaties vanaf maat 202, blz. 54] die op een gegeven moment ineenstorten [maat 218, blz. 59] waarna een zeer wrange, zure, vrij dissonante en zo goed als atonale passage volgt door meerdere solo-instrumenten [op een liggende D, na maat 230, blz. 63-69]…
Na de anticlimax [blz. 69, maat 270-273] volgt weer een verwijzing naar het begin [maat 274, blz. 70], de klarinetsolo met harpakkoorden, en daarna ook een zeer droevige en verstilde passage van klarinet met harp en afwisselend met piano-akkoorden, [maat 287-303, blz. 73-76] een mijns inziens heel diepzinnige passage met heel bijzondere harmonieën….
[dit is mijns inziens een van de meest bijzondere, diepzinnig-verstilde, aangrijpende en weemoedige, verinnerlijkt-verbitterde en droevige passages die ik ooit geschreven heb, ik kan het niet doorspelen zonder er tranen van in mijn ogen te krijgen….]
Na dit ultieme, verstilde dieptepunt volgt [maat 306, blz. 77] weer een verwijzing / reprise van een bepaalde akkoorden-passage uit het begingedeelte [namelijk naar maat 27, blz. 6], alleen betekent het fascinerende 2e akkoord [maat 31, blz. 7] , nu [maat 313, blz. 78] niet het hoogtepunt waarna de anticlimax volgt [zoals op maat 27], maar het slotakkoord [maat 313, blz. 78] , dat zich van zacht opbouwt naar fortissimo en tutti, en wat zeer langdurig en als de ultieme extase van licht en bevrijding het werk naar een stralende en bevrijdende slot-apotheose zou moeten brengen….
Het slot-akkoord bevat in de discant het B-groot-akkoord wat als een akkoord / toonsoort van het ultieme LICHT kan gelden…. [5 kruisen!]
[in de Bas ligt de lage D [en de B-groot-octaaf], in het midden G-A-Cis]
Men kan dus zeggen dat het hele werk een worsteling met de droefheid is, en soms een uitzichtsloos wrang pessimisme, maar dat het slot-akkoord de bevrijding, de opstanding uit de dood, het ultieme licht en de extase brengt…
Dat verwijst ook naar Scriabin, naar de extase, naar het luciferische licht en vuur, naar de Phoenix die verrijst uit zijn as, naar een mystieke en religieuze extase, alsof de mens opgaat in het ultieme licht…
Toch is dit akkoord geen vrolijk majeur-akkoord, het heeft toch als 7-stemmig akkoord en met de D in de bas ed. een soort tweeslachtige wanhopige ondertoon. Als een soort wanhopig reiken naar het licht…
In ‘Le Poëm dolente’, heb ik evenals in de werken ‘Movements’ en ‘Images’ geprobeerd een heel serieus, diepzinnig en origineel werk te componeren.
Ik heb daarbij vooral gezocht, met name in de lyrisch-verstilde passages, naar originele harmonieën en klanken, akkoorden die ‘nieuw’ zouden klinken, maar toch ‘mooi’, en die met name iets van vervreemding zouden opwekken, in die zin, dat ze op de grens van het tonale en atonale balanceren, dus min of meer tonale [maar wel gecompliceerde harmonieën] en melodieën met vervreemdende dissonanten, die wel in de richting van het atonale lijken te gaan, soms, maar die toch niet in het gebied van het ‘lelijk dissonante’ terechtkomen, zoals bij veel modernistische avant-garde-muziek.
Dit heeft natuurlijk dan met name te maken met de merkwaardige werking van de verminderde en overmatige intervallen…
Vooral de passages maat 236 / blz. 64 t/m het slot en met name de door mij al eerder genoemde bijzondere passage maat 288 / blz. 73 – maat 303 / blz. 76 lijken mij daarvoor karakteristiek.
Vooral het hele begin t/m maat 154 / blz. 37 heb ik vanuit een soort subtiel muzikaal voelend aftasten gezocht naar originele harmonieën en originele muzikale stemmingen…
De ff-tutti-passage , maat 155 / blz. 38 t/m blz. 53 / mt 201 leende zich daar wat minder voor, omdat dit gedeelte geen ‘zoekend’ / ‘aftastend’ karakter heeft, en de ff-tutti-passage na blz. 53 / mt 202 bestaat uit allerlei combinaties van mineurdrieklanken, die op zich ook wel zeer dissonante, wrange en bijzondere samenklanken opleverde…
Wat betreft de titel:
Strikt grammaticaal zou de titel eigelijk ‘Poëm dolent’ zijn, want ‘Poëm’ is een mannelijk woord en daarbij hoort geen uitgang met –e.
Dit vond ik echter als klank niet mooi klinken, en ik wilde ook het lidwoord ‘Le’ ervoor hebben, omdat ik wil benadrukken dat het om HET gedicht over de droefheid gaat en niet alleen maar ‘droevig gedicht’.
Ik heb het opgezocht want strikt grammaticaal zou het ook ‘Poëm l’extase’ moeten zijn, maar Scriabin noemde het werk:
-‘Le Poëm de l ‘Extase’….
wat grammaticaal volkomen verkeerd schijnt te zijn, maar ook Scriabin vond het blijkbaar belangrijker hoe de titel klonk dan of dit grammaticaal volgens de schoolmeesterregeltjes helemaal correct was.
Het gaat immers om een kunstwerk, en dan is schoonheid belangrijker als dorre schoolregeltjes.
Wie goed de franse taal kent en denkt dat ik dom ben en de titel verkeerd heb geschreven uit stommiteit kan ik naar deze woorden verwijzen.
Immers: Ravel noemde zijn Pavane ‘pour une Infante defunte’, niet omdat het werk voor een gestorven kroonprins was bedoeld, maar omdat hij de klanken van deze zin mooi vond klinken….
Zo vind ik ‘Le Poëm dolente’ als titel mooier klinken als: ‘Poëm dolent’
Marc van Delft, eind augustus 2006