Springsymphoniette opus 126 (2004) 11.43
1 Intrada 02.22
2 Mélodie  05.36
3 Finale 03.45


Het gecombineerd Fanfareorkest TKBW-FKKL (Fanfare-orkest van de
Koninklijke Landmacht) olv. Jan Nellestijn; De Reggehof, Goor, 6-11-04;

 
-Spring-symphoniette opus 126
2003-2004; uitmuntend-afdeling;
J.S.Arrangements; 10-12 min.

1e deel: Intrada is een krachtig, fanfare-achtig stuk waarin de uitbarstende krachten van de vroege lente, de Ramkrachten in C dur voelbaar zijn; 2e deel: Mélodie, zie boven; Bes is de wintertoonsoort van de waterman, we zijn dus ahw. weer teruggevallen in de winter; 3e deel: finale; In het zachte begin gaan we van de winter- naar de lente-toonsoorten; Dit deel is de ultieme exploratie van de heroisch-marciale krachten die schuil gaan in de Ram- (Mars-) toonsoort C groot; zeer krachtig, drammerig en marciaal, nadruk op de heroïsche trompetten en stijgende kwarten ed. Strijdende krachten in de natuur, de doorbraak naar het licht, de zonsopgang, overwinning van het licht op de duisternis door strijd…

Het Springsymphoniette werd rond het begin van de lente geschreven op het moment dat de strijdende opstandingskrachten van de Ram door de natuur waren. Dit komt het meest duidelijk naar voren in het 1e en 3e deel, waar de toonsoort C groot van de Ram een centrale rol speelt. Deel 2 is een lyrisch stuk.

 

Het programmaboekje van het concert waarbij de première plaatsvond.

Het programma van dat concert.

_______________________________
 

Uitgebreide Toelichting bij: Springsymphoniette opus 126 (2004) van Marc van Delft
 

Het ‘Voorjaars-symphonietta’ ofwel ‘Lente-symphonietta’ ontstond in het voorjaar van 2004.
Het werk werd geschreven vanuit het perspectief van de samenhang tussen de toonsoorten en de dierenriemtekens en de jaargetijden.
 Dit gaat uit van de gedachte dat kruizen voor licht staan en de mollen voor duisternis in de toonsoorten. Kruizen hangen dan samen met ochtend en middag en lente en zomer. Mollen hangen samen met avond en nacht en herfst en winter.
Het lente- en herfstpunt is neutraal en met de zonsopgang en de zonsondergang vergelijkbaar. Dit is dan weer vergelijkbaar met de neutrale toonsoort zonder kruizen en mollen C groot en a klein, ofwel de overgang van de kruizen naar de mollen, het enharmonische gebied van Fis groot naar Ges groot.
De zonsopgang en het begin van de lente, als de zon in Ram komt hangt samen met C groot en A klein.
 Een overzicht van alle toonsoorten in samenhang met de dierenriem vindt u achterin.
Een andere wetmatigheid die er doorheen speelt zijn de 7 tonen van de toonladder in samenhang met de planeten. Zie het schema achterin.
De C geldt als de Marstoon, de A als de Zonnetoon.
Nu geldt C groot dus als de toonsoort van de Ram, Mars is de heerser over Ram en de C zelf is de Marstoon.
In de muziekliteratuur over toonsoorten wordt het karakter van C groot als volgt omschreven: Nuchter, zakelijk, positief, zelfverzekerd, naïef, helder, kerngezond, krachtig, stevig en vastberaden. Ook vurige wilskracht, onverschrokkenheid, standvastigheid, soms tot het militaire en krijgszuchtige toe.
Kenmerkend is het rammeien op de grondtoon C en de stijgende kwart: G-C, een opwekkend militair signaal.
Ik schreef het 1e en 3e deel eind maart, het begin van de lente, toen de kosmische Ram-krachten de natuur introkken. De doorbraak naar het licht
Deel 1 is een krachtige en voortvarende Intrada.
In deel 3, de Finale, wordt nog duidelijker het C-groot-karakter geëxploreerd, het heroïsch-marciale karakter, vooral de trompetten (bij uitstek het oorlogs-Mars-instrument), de stijgende kwarten van het Mars-archetype zijn belangrijk.
 Het 2e deel, een lyrisch stuk, de ‘melodie in Bes’ verwijst naar de Waterman, Februari, samenhangend met de toonsoort Bes groot. Het is nog winter, Bes is een donkerder toonsoort door haar 2 mollen, maar deze tijd en het Symbool van de Waterman vertegenwoordigt de hoop op de lente.
Hierna begint het 3e deel daarom eerst nog vanuit de duisternis van de winter in de toonsoort D klein / F groot van de Vissen, de maand maart, het uur voor

Toelichting bij: Springsymphoniette opus 126 (2004) van Marc van Delft   –2-
zonsopgang vooraleer de ‘doorbraak naar het licht’ plaatsvindt waarbij de mollen worden overwonnen. Daarna volgt een heroïsche C-groot-triomphmuziek die de overwinning van het licht op de duisternis verbeeldt.

  Boven de partituur heb ik allerlei kreten, woorden en zinnen geschreven die het karakter van de muziek aanduiden.
Tegen mijn wil in heeft de uitgever nagelaten om deze zinnen over te nemen in de partituur zodat ik ze hierna voor de dirigent en de eventueel geïnteresseerde muziekliefhebber alsnog opschrijf.

 

Intrada

 
Maat 1-4: ‘De nieuwe lente begint’ – ‘Ramkrachten in de natuur’ ;
Maat 6-7: ‘De doorbraak naar het licht na de het winterduister’ – ‘Eind Maart: De Ramkrachten trekken de natuur in’;
Maat 8-9: ‘Uit de bodem boort zich het nieuwe leven omhoog’;
Maat 11-14: ‘Overal geboortekrachten’;
Maat 25-28: ‘Marciale ijzerkrachten’ – ‘Sterk’;
Maat 32-34: ‘Aries waart door de natuur’; (reprise van het begin)
Maat 35: ‘Ontwaak !’
Maat 36-38: ‘De God Pan trekt de natuur in’;
-Als de muziek weer de toonsoort C bereikt:
Maat 46: ‘Mars/Ram=C’ / 47-48: ‘Doorbraak naar het licht’ (de melodie stijgt op naar de hoge A, maat 49, de Zonnetoon, die dan stralend oprijst)
-Op het A-klein-akkoord, de zonnetoon A bovenin, van maat 55 staat:
‘De zon verrijst’;
De melodie daalt af naar de C op maat 61: In C ; 62: ‘Mars/Ares’; 63: ‘Aries-Ram’; Maat 64-67: ‘IN C staat de natuur op uit de dood van de winter’;
Maat 68: ‘Opstandingskrachten in de natuur’;
Maat 69: De melodie stijgt een none omhoog van G’ naar A’’ op maat 70, het slot-akkoord.
Maat 69: ‘Stralend gaat de Zon omhoog’; 70: ‘De Zon’ (de hoge A, de Zonnetoon);
Maat 70-71: Stampende slot-akkoorden op het lage C-Groot-akkoord: ‘IJzerkracht’, ‘Aardekracht’.

 

Finale

 

Het begint in een duister D klein, de melodie stijgt langzaam omhoog naar de Dominant van C groot, in een crescendo van p naar fff (maat 1 – 11).
Maat 1-8: ‘Maart: Winterduister’; ‘Zon in Vissen’ – ‘De Lijdenstijd’ –

Toelichting bij: Springsymphoniette opus 126 (2004) van Marc van Delft   –3-
‘D klein / F groot’; ‘De staart van maart’ – ‘Lenteverwachting’ / ‘Voorjaarsverwachting’;
Subito-pp op maat 9, crescendo naar 11, Bes-groot-akkoord, dan G-akkoord, Dominant voor C groot: ‘De doorbraak naar het licht’ – ‘De nieuwe lente begint’;
Het thema van opstijgende triolen (12) verwijst ook naar de Intrada (begin), en stijgt een none op van G’ naar de Zonnetoon A’’ (14); maat 12: ‘Pan ontwaakt’; Maat 13: ‘Ramkrachten barsten los’ – ‘Uit de bodem boort zich het leven omhoog’; Maat 14 (de melodie bereikt het hoogtepunt van de hoge A, de zonnetoon):  ‘Stralend gaat de Zon omhoog’;
Er volgt nu een soort triomphmuziek (15-16) die zich niet doorzet, maar weer afdaalt naar E-klein. Als aan het eind hetzelfde terugkeert zal deze triomphmuziek zich dit keer wél doorzetten en de slotoverwinning zal dan bevochten zijn en zich bestendigen.
Maat 15-16: ‘Aries waart door de natuur’ – ‘krachtige Ramenergiëen’;
Maat 17: Er volgt nu een tussengedeelte met stromende 16den-bewegingen in de saxen ed. , het opgestane stromende leven verbeeldend.
Maat 17: ‘Het leven begint te stromen’; De 16den-bewegingen beginnen op maat 18: ‘IJsschotsen breken’, ‘De rivieren stromen weer’; Maat 20-22: ‘De sapstromen in de natuur brengen het nieuwe leven’; Als de muziek op maat 23 de toonsoort C lydisch bereikt en de trompetten een krachtige melodie spelen: ‘Machtig staat de natuur op uit de dood van de winter: C-Ram’; Maat 26: ‘Stromend leven’;
Maat 31: De snelle bewegingen veranderen (dalende figuren): ‘De wateren gaan stromen’; Bij het melodisch hoogtepunt op maat 34 en versnelling van de beweging: ‘De sapstromen in de bomen stijgen op met alle kracht’; maat 35-36: ‘Het groene leven ontspruit uit de bodem’;  Voortzetting van deze beweging, maat 37-39: ‘Weelderig leven ontspruit uit de bodem’, ‘Groene bladeren komen tevoorschijn’; Er wordt weer langzaam naar de opbouw van een nieuw hoogtepunt gewerkt: 43: ‘Alles stroomt’; Op maat 47: Nieuw melodisch hoogtepunt; 48-49: ‘De sappen beginnen te stromen’; ‘Alles staat op het punt uit te botten’; Op maat 50 wordt de Dominant van C groot bereikt, (hoge G) ; Maat 51, Dominant, crescendo naar ff: ‘Met geweld barst het uit’; ‘Ramkrachten barsten los’;
Maat 52-53: Op de hoge C wordt de toonsoort C groot bereikt waarna de melodie koraalmatig in kwartenbeweging een octaaf opstijgt van G’ naar G’’:
‘C=Ram-Mars’; ‘Marskrachten barsten los in de natuur’; ‘Triomph’; ‘Zonsopgang in de bergen’;
Maat 54-55: Hamerende C-groot-akkoorden terwijl de pauken hameren op de C-G: ‘Triomph’; ‘Marciale ijzerkrachten’; ‘Aardekrachten’; ‘Sterkte’; ‘Kracht’; Bij de pauken: ‘Aardekrachten’;

Toelichting bij: Springsymphoniette opus 126 (2004) van Marc van Delft   –4-
Maat 56: De trompetten stijgen vnl. kwartsgewijs op van de C’ naar G’’
(C-D-G-C-D-G), maat 57: idem; Maat 56: ‘Marciaal trompetgeschal’; Bij de trompetten staat: ‘Marstrompetten’;
Maat 57-58: Voortzetting van dit marciale trompetgeschal; ‘In C: Ram-Mars’: ‘Wekkende trompetsignalen’ – ‘Ontwaak’ – ‘Word Wakker’; Op maat 59 versnelt deze trompetbeweging zich tot triolen: ‘Marciale trompetten’; Maat 60 (idem): ‘IJzerkracht en trompetgeschal’;
Maat 61-62: Hamerende climax op de Dominant van C dur: ‘Ontwaak’;
Maat 63-65 is de reprise van maat 12-14;

[ Het thema van opstijgende triolen (12) verwijst ook naar de Intrada (begin), en stijgt een none op van G’ naar de Zonnetoon A’’ (14); maat 12: Pan ontwaakt; maat 13: Ramkrachten barsten los – uit de bodem boort zich het leven omhoog; 14 (de melodie bereikt het hoogte-punt van de hoge A’’, de zonnetoon): Stralend gaat de Zon omhoog; ]
Nu staat er: Maat 63: ‘Ochtendsignalen’; Maat 64: ‘Stralend gaat de Zon omhoog’; ‘De dag ontwaakt’;  -Op de hoge A, de Zonnetoon: ‘Licht’; ‘Doorbraak naar het licht’; ‘Stralend licht’; ‘Zonsopgang’;
Nu op maat 67 de reeds genoemde reprise van de triolenbeweging van maat 15-16 die zich nu dit keer wél doorzet. De triolen-beweging zet zich voort tot maat 81; Bij maat 68 staat: ‘Triomph’, ‘Kracht’; Maat 70-72: ‘Strijdende krachten in de natuur’; Maat 75-77: ‘Vreugdevol keert de lente weer’; Maat 78-79: ‘Uit de bodem boort zich het leven omhoog’;
Maat 81: Hameren op de Dominant van C groot: ‘Triomph’;
In de bas blijft nu de G als orgelpunt liggen terwijl de trompetten weer een vergelijkbare melodie spelen als in de maten 56-60, alleen is de omvang en de hevigheid nog groter; Er staat bij de maten 82-83: ‘Oorlogsgeschal’; ‘IJzerkrachten’; Maat: 84: ‘Marstrompetten’; ‘Ontwaak’; Maat 85: ‘Sta op!’ Maat 86: ‘Heroïsche Strijd’; ‘Word wakker’; Trompetsignalen; Maat 87: ‘Helden strijdend voor het Licht’;
Maat 88-90: Een triomphantelijk melodietje (‘Triomph’) mondt uit in een lager gelegen plagale cadens.
Maat 91: (‘Mars-Ram’) Herhaling van maat 12 en verder, de stijgende triolenbeweging van de G’ naar de Zonne-A’’ en dan naar G’’ op I in C dur.
Maat 91-92: ‘Uit de bodem boort zich het leven omhoog’; Maat 92-93:
‘De Opstanding uit de Dood’; Maat 93-94 (als de Zonne-A’’ wordt bereikt):
‘De Zonnekracht overwint’;
Op maat 95 wordt het Slotakkoord van C groot bereikt: ‘Triomph !’
Maat 95-96: ‘De Held-Mars-Ram overwint’; Maat 97: C groot;
Tenslotte wordt het apotheotische slot-akkoord met de hoge C in de trompetten bereikt op maat 98: ‘Triomph !’ ;
Evenals het 1e deel eindigt dit deel met een stampend laag C-groot-akkoord: ‘Oersterke Reuzen- en Aardekrachten’.

 
Toelichting bij: Springsymphoniette opus 126 (2004) van Marc van Delft   –5-

  Tijdsduur:
Ongeveer 11 minuten;
Deel 1: 2 min. 10 sec. ; Deel 2: 4 min. 16 sec. ; Deel 3: 3 min. 40 sec.;
(ofwel: ca. 1/ 129 + 2/ 256 + 3/ 221 seconden)

 

 

Overzichten en schema’s:

De 12 (24) toonsoorten in samenhang met de Dierenriem:

Lente/ochtend Ram C groot / a klein
Stier   G groot / e klein 1 kruis
Tweelingen D groot / b klein 2 kruizen
Zomer/middag Kreeft A groot / fis klein 3 kruizen
Leeuw E groot / cis klein 4 kruizen
Maagd B groot / gis klein 5 kruizen
Herfst/avond Weegschaal Fis groot / Dis groot 6 kruizen
Ges groot / es klein 6 mollen
Schorpioen  Des groot / bes klein 5 mollen
Boogschutter As groot / f klein 4 mollen
Winter / nacht Steenbok Es groot / c klein   3 mollen
Waterman Bes groot / g klein 2 mollen
Vissen F groot / d klein 1 mol




De zeven Planeten-tonen:

Toon Planeet Typerende toonsoorten
C  Mars  C groot, c klein, Cis klein
D   Mercurius D groot
E  Jupiter    E groot, e klein, Es groot, es klein
F Venus    F groot, f klein, Fis groot, Fis klein
G  Saturnus  G klein, G pentatonisch, G myxolydisch / dorisch
A  Zon  A groot en a klein; As groot, (as klein)
B Maan B klein, B groot, chromatiek, atonaliteit

 

(Belangstellenden kunnen bij mij over dit onderwerp boekjes bestellen of cursussen volgen; Tel. 070-3459306)

 

 

Korte Programmatoelichting van het Springsymphoniette, bv.  voor toelichtingen in een programmaboekje :

 
Toelichting bij:
Springsymphoniette opus 126 (2004) van Marc van Delft

 

  Het ‘Springsymphoniette’ opus 126 werd in het voorjaar van 2004 gecomponeerd rond de tijd van de overgang van winter naar lente. In die tijd barsten er in de natuur explosieve lente- en levenskrachten los, zoals ook bv. Strawinsky in zijn Sacre du printemps heeft uitgebeeld. De toonsoort C groot staat voor Ram en Mars, het dierenriemsymbool van de 1e lentemaand. Strijdende krachten moeten de winterkrachten overwinnen, Ramkrachten werken in de natuur, een doorbraak naar het licht vindt plaats. Uit de bodem boort zich het nieuwe leven omhoog. Met sterke marciale ijzerkrachten trekt de God Pan de natuur in. De Zon verrijst, de natuur staat op uit de dood van de winter, stralend gaat de Zon omhoog, met oersterke aarde- en ijzerkracht wordt de overwinning bevochten.
Dit is ongeveer de stemming van het 1e deel, de krachtige Intrada.
Het 2e deel, een lyrische melodie in Bes groot verwijst qua toonsoort weer naar het winterduister van de Watermantijd, Februari, de toonsoort van de hoop.
De Finale begint in D klein, de toonsoort van de laatste wintermaand van de Vissen, ‘de staart van Maart’. Van daaruit gaat de melodie omhoog naar de Dominant van C groot, de Ramtoonsoort van de strijdende lentekrachten. Dit deel sluit weer aan bij het 1e deel, maar nu is de stemming nog meer heldhaftig en marciaal. Heroïsch trompetgeschal weerklinkt. Een middendeel met snelle beweging verbeeldt het stromende leven dat nu weer begint. De sapstromen in de natuur brengen het nieuwe leven, de wateren gaan stromen. De sapstromen in de bomen stijgen op met alle kracht. Het groene leven ontspruit uit de bodem. Alles staat op het punt uit te botten. Dan weer het heroïsche C groot, de reprise van het begin, de losbarstende Ramkrachten verbeeldend. IJzerkracht en trompetsignalen. Stralend gaat de zon omhoog! De strijdende krachten in de natuur voeren tot een heroïsche Triomph van een overwinning van het Licht op de duisternis. Hamerende oersterke reuzen- en aardekrachten bestendigen de zegevierende triomph van de opstandingskrachten in de natuur.

 

[Marc van Delft]